PLATFORM OUDERENZORG
Voor Praktijkverpleegkundigen & Praktijkondersteuners
Zoek in kennisbank:

Dit artikel delen via:
Schouderklachten
Schouderklachten

Oorzaak /diagnose:

De schouder is het meest beweeglijke gewricht in het lichaam. Deze hoge beweeglijkheidsgraad laat toe om de arm te plaatsen en te draaien in alle richtingen: naar voor, naar boven, opzij, naar achter. Deze grote beweeglijkheid maakt de schouder extra gevoelig voor kwetsuren en instabiliteit. De schouder is een bol-gewricht. Het wordt gevormd door 3 beenderige uiteinden:

  • bovenarm of humerus
  • schouderblad of scapula
  • sleutelbeen of clavicula

Aandachtspunten bij schouderklachten:

  • de aanleiding van de schouderklacht (zoals een trauma of provocerende factoren);
  • zelfmedicatie zoals paracetamol of NSAID's;
  • het type van de schouderklachten;
  • plaats van de pijn, uitstraling in de arm (klachten beperkt tot het schoudergebied);
  • pijnlijke beperking bij het bewegen van de bovenarm in één of meerdere richtingen;
  • pijn tijdens (een deel van) het abductietraject (schouderklachten zonder bewegingsbeperkingen met een pijnlijk abductietraject);      
  • de ernst van de schouderklachten ernst van de pijn en ervaren hinder: verstoring van de nachtrust, liggen op de aangedane kant niet mogelijk, beperkingen in het dagelijks functioneren,
  • psychosociale factoren;
  • zelfzorg, gebruik van analgetica en overige behandelingen tot nu toe;
  • schouderklachten in het verleden: beloop, behandeling en resultaat.

Schouderfracturenkomen bij ouderen boven de 65 jaar vaak voor. Deze letsels ontstaan na een val op een uitgestrekte arm, vooral bij oudere mensen met osteoporose.

De meeste van deze fracturen zijn relatief eenvoudig en kunnen zonder operatie behandeld worden. Met lichte bewegingsoefeningen wordt in die gevallen voldoende resultaat behaald. Een deel van de schouderfracturen is veel complexer. Deze complexe fracturen kunnen zowel operatief als conservatief (d.w.z. niet-operatief) behandeld worden.

Bij de conservatieve behandeling wordt de arm gedurende drie weken in een mitella gehouden. Na één week mag een patiënt voorzichtig beginnen met oefenen onder begeleiding van een fysiotherapeut. Bij de operatieve behandeling wordt een prothese in de schouder geplaatst, waarna de arm 2-7 dagen in een mitella gehouden wordt. Daarna mag de patiënt gaan oefenen.

Luxatie van het schoudergewricht:

Risico bij hypotonie van de spieren na CVA. Als ook de rompbalans is gestoord, kunnen, doordat de arm als gevolg van de zwaartekracht trekkracht uitoefent op het schoudergewricht, de gewrichtkapsels te veel onder spanning komen te staan (de patiënt voelt dit niet).

Behandeling schouderklachten:

  • Adviseer desgewenst voor een periode van twee weken paracetamol (zie pijnmedicatie)
  • Overweeg een injectie bij (ernstige) schouderpijn die ondanks adviezen en één tot twee weken analgeticagebruik onvoldoende is verminderd. het type klacht bepaalt de plaats van de injectie;
  • overweeg oefentherapie of manuele therapie bij schouderklachten die ondanks adviezen en één tot twee weken analgeticagebruik onvoldoende zijn verminderd, bij (dreigend) disfunctioneren of bij een functiestoornis van de nekwervels
  • overweeg bij patiënten die ondanks behandeling klachten of belemmeringen blijven houden verwijzing naar een specialist met specifieke deskundigheid voor nadere diagnostiek (echografie, MRI)

Pijnmedicatie:

Afhankelijk van de soort, ernst en oorzaak van de pijn schrijft de arts pijnstillers voor. Vaak wordt begonnen met een lichte pijnstiller (stap 1a).

Zo nodig schrijft de arts een sterkere pijnstiller voor. Dat gebeurt volgens het stappenplan van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Pijnstillers kunnen gegeven worden als tabletten, capsules, drankjes, injecties, pleisters of zetpillen. Of met een pompje rechtstreeks in een bloedvat, in de huid (subcutaan) of via het ruggenwervelkanaal worden gespoten. Ook is het mogelijk in het ziekenhuis bij bepaalde pijnvormen een zenuwblokkade, bestraling of chemotherapie te krijgen.

Mogelijke bijwerkingen:

Bij pijnstilling zonder medicatie zijn er vrijwel geen bijwerkingen. Medicatie kan lichte en soms ernstiger bijwerkingen geven. Belangrijk is dat bijwerkingen direct worden gemeld aan de arts.

Stap 1a: Paracetamol is 1e keus.

Stap 1b NSAID's

Stap 1c Paracetamol en NSAID's: Vanwege de vele bijwerkingen

worden NSAID's alleen bij artritis voorgeschreven met een maagbeschermer (protonpompremmer) maar niet als de oudere hart en vaatziekten heeft. Dus geen diclofenac, ibuprofen, naproxen meloxicam, celecoxib en etoricoxib.

Stap 2 ook zwak werkende opioïden zoals codeïne of tramadol werken vaak niet goed bij ouderen. Alleen tramadol wordt nog wel eens voorgeschreven aan ouderen met matige chronische pijn waar paracetamol onvoldoende werkt.

Stap 3 opioïden: ouderen verdragen het beste de morfine of fentanyl of oxycodon.

WHO-pijnladder toegepast bij ouderen met pijn

Aandachtspunten voor de praktijkverpleegkundige:

Adviseer de patiënt actief te blijven en een stapsgewijze aanpak te volgen:

  • pas bij acute ernstige pijn de dagelijkse activiteiten voor een korte tijd aan
  • strikte rust is te ontraden, tenzij minimale bewegingen ernstige pijn veroorzaken
  • breid daarna de activiteiten geleidelijk en stapsgewijs uit en wacht niet tot de pijn geheel verdwenen is.

Ouderen met bewegingsklachten lopen de kans hun zelfstandigheid kwijt te raken doordat ze onnodig invalide raken. Vroegtijdige signalering van klachten en het aanbieden van hulpmiddelen of therapie kan dit voorkomen of het verlies van zelfstandigheid uitstellen

Wat doet pijn met ouderen?

Pijn kan lichamelijke gevolgen hebben zoals moeilijk bewegen of eerder vallen. Voor ouderen met pijn betekent dit dat zij steeds minder zelf kunnen doen. Of dat ze minder deelnemen aan het dagelijks leven en dat ze minder contact hebben met anderen. Ook kan de cognitieve achteruitgang versnellen. Dat alles kan weer leiden tot bijvoorbeeld angst, depressie, boosheid en slaapstoornissen.

Hoe reageren ouderen op pijn?

Iedereen reageert verschillend op pijn. Toch vertellen de meeste ouderen niet uit zichzelf dat ze pijn hebben. Of ze gebruiken daar andere woorden voor zoals; ongemak of een onprettig gevoel. Dat kan komen door misverstanden of omdat ze verward zijn of niet goed kunnen praten, zoals na een beroerte. Als zorgverlener kan je ouderen stimuleren wel over hun pijn te vertellen zodat die behandeld kan worden.

Je kunt helpen om misverstanden weg te nemen. Mensen die niet over hun pijn kunnen vertellen kun je leren hun pijn te herkennen.

Mensen met dementie of een andere ernstige hersenbeschadiging laten soms alleen gedragsverandering zien, grimassen of onrustig bewegen.

Literatuur:

Geriatrie - R.J. Schim van der Loeff-van Veen ISBN 978 90 313 9148 6

 



 
NHG standaard schouderklachten
Thuisarts, schouderklachten
Verenso richtlijn pijn
Contactgegevens
platformouderenzorg@pvkpoh.nl
ACADEMIC JOURNALS ®
Copyright | Disclaimer